Ccgforum's Weblog

Just another WordPress.com weblog


2 reacties

Verminderde receptor gevoeligheid is bron van problemen.

Op veler verzoek nog even een samenvattend verhaal inzake de problemen als gevolg van verminderde receptor gevoeligheid.

Prof. (em) György Csaba heeft met zijn onderzoeksgroep in de achterliggende decennia overtuigend en gedetailleerd aangetoond dat er allerlei factoren zijn die leiden tot een verminderde gevoeligheid van hormoon- en neurotransmitter receptoren. En dat dit probleem zich niet automatisch herstelt.

De periode tijdens de zwangerschap en in de eerste maanden (tot een jaar) na de geboorte is een mens bijzonder gevoelig voor deze receptor modulatie. Dat wil concreet zeggen dat allerlei factoren tijdens die periode een veel grotere kans geven op blijvend verminderde gevoeligheid van bepaalde receptoren. Dat wil zeggen dat er, gezien de enorme toename van verstorende factoren in de afgelopen 20 jaar een toenemend aantal baby’s geboren worden met een verstoorde functie van bepaalde hormonen en/of neurotransmitters vanaf dag 1 van hun leven. Dit kan gebeuren door bijzondere factoren tijdens de zwangerschap of bevalling, denk aan sterke stress voor de moeder, gebruik van medicamenten, roken, weeënopwekkers (Oxytocine), etc. Maar Csaba heeft ook de term ‘Metabolic Imprinting’ en ‘Transgenerational Imprinting’ geïntroduceerd. Dit betekent dat een verstoring van de regelsystemen bij de ouders (moeder m.n.) een gelijksoortige verstoring kan veroorzaken bij het ongeboren kind, die NIET genetisch is. Doordat dit patroon in de generaties kan worden doorgegeven kan makkelijk gedacht worden dat er sprake is van een genetische (en dus onvermijdelijke) factor, maar dat is in die gevallen niet waar.

Inzake Oxytocine, ook wel het knuffelhormoon genoemd, heb ik inmiddels de ervaring dat een verstoring van de gevoeligheid van de Oxytocine receptoren niet alleen wordt veroorzaakt door toediening van synthetisch Oxytocine rond de bevalling of tijdens de periode van de borstvoeding. Ook gebrek aan liefde, geborgenheid en veiligheid in de vroege baby-periode kan een soortgelijk beeld oproepen. Het toedienen van synthetisch Oxytiocine (bv. in de vorm van een neusspray) om klachten te verminderen, zoals sommigen voorstaan is m.i. een volstrekt ongewenste gang van zaken omdat het de receptorgevoeligheid eerder verder zal doen afnemen, waardoor er een impliciete afhankelijkheid voor deze kunstmatige prikkel ontstaat. Goed voor de producent maar niet goed voor de cliënt/patiënt.

Een categorie verstorende factoren die zeer wijdverbreid zijn en veelal vergeten wordt zijn de plastic weekmakers. Vooral Bisphenol A  vormt een grote bedreiging voor de functie van de oestrogeen receptoren. Vooral bij zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen een erg belangrijke factor. Verbazingwekkend hoeveel mensen de hele dag water lopen te drinken uit plastic flesjes die weekmakers bevatten. Het Duitse lab Medivere diagnostics heeft een praktische bloedtest beschikbaar om de BPA belasting in het bloed vast te stellen.

Ook verstoring van de receptor gevoeligheid van diverse neurotransmitters komt veelvuldig voor. Talloze psychische, psychiatrische aandoeningen en klachten, maar ook leer- en gedragsstoornissen bij kinderen zijn terug te voeren op deze onderliggende problematiek. Het goed nieuws is dat bij een juiste behandeling deze receptoren te resetten zijn. Bijzonder effectief, maar niet simpel. Voorwaarde is dat er een gedetailleerde kennis is rondom het functioneren van het kind c.q. de volwassene en dat er een gedegen kennis is inzake de neurofysiologische achtergrond van de klachten. Alleen gedegen maatwerk kan hier oplossingen bieden.


5 reacties

Serotonine

Serotonine is één van de 4 neurotransmitters die hiërarchisch als de belangrijkste worden gezien. Dat is natuurlijk betrekkelijk want alle schakels in een keten zijn belangrijk, maar toch wordt het wel zo benaderd.

Serotonine is een zogenaamde ‘Monoamine’. Het is een stof die in het lichaam gemaakt wordt uit het aminozuur Tryptofaan in de aanwezigheid van Vitamine B6.

Serotonine speelt een belangrijke rol bij de temperatuurregulatie, functie van de zintuigen, regulatie van stemmingen, het in slaap vallen en het handhaven van de zogenaamde REM slaap. Ook verhoogd het de pijndrempel. Erg hoge concentraties kunnen narcolepsie veroorzaken. Tekorten gaan vaak vergezeld van huidklachten.

Tekorten van het serotonine-effect, ik noem het nadrukkelijk zo omdat het effect afhankelijk is van twee factoren (beschikbaarheid van serotonine én voldoende gevoelige receptoren), kan zich o.a. uiten in de volgende klachten:

  • Angsten
  • Depressies
  • Impulsiviteit
  • Slaapstoornissen, slapeloosheid
  • Obsessies, dwangmatig denken en/of handelen
  • Agressie
  • Verhoogde neiging tot suïcidale gedachten of -gedrag

Maar dan noemen we slechts een beperkt aantal klachten. Er is ook een hele waslijst van lichamelijke klachten die samen kunnen hangen met een serotonine tekort, o.a.:

  • Allergieën
  • Arthritis
  • Rugklachten
  • Koolhydraat verslaving
  • Constipatie
  • Hoofdpijn
  • Hoge bloeddruk
  • Misselijkheid
  • Hoge spierspanning
  • Premenstruele klachten
  • Tinnitis
  • Gewichtstoename

Uit deze korte bloemlezing wordt voldoende geïllustreerd hoe belangrijk serotonine is voor het totale functioneren, zowel mentaal, emotioneel als lichamelijk.

Serotonine heeft een bijzondere relatie met de activerende neurotransmitter dopamine. We spreken van de serotonine-dopamine balans. Hoewel algemeen wordt aangenomen dat ADHD vooral een dopamine probleem is, en dat Ritalin en andere Methylfenidaat-preparaten op de dopamine huishouding werken, klopt dit niet met de feiten. Een in 1999 uitgevoerde wetenschappelijke studie heeft duidelijk aangetoond dat de werking van Methylfenidaat primair op de serotonine stofwisseling is en via de serotonine-dopamine balans indirect ook effect heeft op dopamine.

Op neurotransmitter niveau onderscheiden we 4 subtypes van ADHD. Bij elk van de subtypes is een andere neurotransmitter als prominente factor betrokken.


Een reactie plaatsen

Neurotransmitters en Gezondheid

De komende tijd zal ik met regelmaat berichten over bijzondere ontwikkelingen in de praktijk. Ontwikkelingen die alles te maken hebben met neurotransmitters, signaalstofjes in het lichaam die zorgen voor overdracht van zenuwimpulsen. Deze ontwikkelingen hebben verstrekkende gevolgen voor de natuurlijke behandeling van alle mogelijk aandoeningen, waaronder ook tal van psychische en psychiatrische stoornissen.

Belangrijk is dat de werking van alle signaalstofjes in het lichaam altijd gebaseerd zijn op de hechting aan stofspecifieke receptoren. Serotonine, een neurotransmitter die voor velen wel bekend is vanwege de relatie met depressieve klachten, werkt alleen als het kan aanhechten aan serotonine-receptoren. Voorwaarde is dan dat deze receptoren een juiste gevoeligheid voor serotonine hebben. Een verminderd serotonine effect kan derhalve te maken hebben met ofwel en verminderde aanmaak van de stof zelf óf een verminderde gevoeligheid van de receptoren of een combinatie van beiden.

Een voor veel mensen algemeen bekend voorbeeld van een verminderde receptor gevoeligheid is Diabetes mellitus type II, ook wel ouderdomssuiker genoemd. Deze mensen produceren als regel voldoende insuline, vaak zelfs te veel, maar de insuline receptoren zijn verminderd gevoelig voor de lichaamseigen insuline waardoor het effect, i.c. de opname van glucose in cellen, verstoord is en er een te hoge concentratie aan bloedglucose ontstaat (=Diabetes).

Al eerder op deze blog schreef ik over de verstrekkend gevolgen die het gebruik van weeënopwekkers bij de bevalling kunnen hebben voor de baby. Hiervoor wordt een synthetische variant van het humane hormoon oxytocine gebruikt.

Volgens het baanbrekende werk van de Hongaarse onderzoeksgroep o.l.v. de inmiddels emeritus hoogleraar prof. György Csaba kan dit leiden tot een levenslange verminderde gevoeligheid van de oxytocine receptoren bij de baby. Concreet betekent dit dat dit kind (en later de volwassene) levenslang minder effect heeft van de eigen oxytocine productie. Met alle dramatische gevolgen van dien.

Lees maar eens het boek van Kerstin Unvas Moberg “De Oxytocine Factor“, dan realiseer je je hoe ingrijpend de consequenties zijn van een verminderd oxytocine effect.

En dit geldt zeker niet alleen voor oxytocine. Hierover in de komende blogs meer. In eerste instantie zal ik in een aantal blogs de belangrijkste neurotransmitters en hun rol binnen het menselijk organisme, summier bespreken.

-wordt vervolgd-


2 reacties

Medicatie ADHD in 5 jaar verdubbeld

In de periode 2005 tot 2010 is het gebruik van reguliere medicatie tegen ADHD bij jongeren tussen de 6 en de 16 jaar verdubbeld. Volgens de media onderzoeken psychiaters en kinderartsen nu de mogelijkheid om dit medicijngebruik te verlagen. Niet verwonderlijk, want als je deze stijging zou extrapoleren, gesteld dat dit kan, dan houd je je hart vast. Nu al 1 op de 26 in deze leeftijdsgroep.

Het meest schokkende is dat die oplossing al lang voorhanden is. Kinderen zouden geen anti-ADHD medicatie hoeven gebruiken als er wat gedaan werd met de kennis die beschikbaar is over oorzakelijke factoren. Alle in onze praktijk onderzochte ADHD kinderen hebben tot nog toe een serieuze ontregeling van hun neuro-hormonale systeem en een ernstige ontregeling van hun mineralen huishouding. Waarom accepteren we moeiteloos dat topsporters begeleiding van voedingsfysiologen verdienen om de alsmaar grotere prestaties te kunnen neerzetten en hebben we moeite om te begrijpen dat onze psyche direct afhankelijk is van de biochemische toestand in onze hersenen. Het aantal kinderen met een niet-klinische (dus niet te diagnosticeren in de reguliere benadering) bijnierzwakte is in de afgelopen 20 jaar met duizelingwekkend aantallen toegenomen. De jongste kinderen met deze fysiologische burn-out die we in de praktijk zijn tegengekomen hebben de leeftijd van 2 jaar. Dat betekent dat een groeiende groep kinderen in onze tijd fysiologisch in de “overlevingsstand” staan. Vinden we het gek dat ze met een etiket als ADHD rondlopen of, ouder geworden, naar de stimulerende middelen grijpen.

De wetenschapsgeschiedenis illustreert op meer dan tragische wijze dat de beschikbaarheid van kennis geen garantie is dat deze ook gebruikt wordt. Het kankeronderzoek is daar een dramatische illustratie van. Daarover morgen meer.


15 reacties

Weeënopwekkers op basis van synthetische Oxytocine niet zonder risico’s voor moeder en kind

Het is niet ongebruikelijk om synthetisch oxytocine te gebruiken om de geboorte op te wekken. Ook wordt deze vorm van oxytocine in de vorm van een neusspray gebruikt door zogende vrouwen om daarmee de borstvoeding te reguleren. Vooral als jonge moeders werken en daarom kolven om de moedermelk op andere tijdstippen per flesje aan de baby te geven, maken er nogal eens gebruik van.

Het kan natuurlijk medisch gezien onvermijdelijk zijn om de geboorte op deze manier een handje te helpen. Maar juist dan is het goed om te weten dat deze vorm van Oxytocine niet zelden z’n ‘sporen’ achterlaat, zowel bij moeder als bij kind.

Sporen in de vorm van een zogenaamde ‘blokkade’. Voor veel mensen een vaag begrip en daarom verwijzen ze het gemakshalve naar het rijk der fabelen. Maar al die ouders die hun kind hebben laten behandelen voor blokkades als gevolg van vaccinaties, voedingsadditieven (met name aspartaam en MSG), geneesmiddelengebruik e.d. weten dat ze het zich bepaald niet verbeelden. Wanneer blokkades worden getraceerd en opgeruimd leidt dat niet zelden tot een spectaculaire verbetering in het functioneren van het betreffende kind.

Talloze kinderen (en volwassen vrouwen) hebben we inmiddels behandeld voor een Oxytocine blokkade. De klachten die samenhangen met een Oxytocine blokkade kunnen zeer divers zijn. Er zijn sterke aanwijzingen dat een (belangrijk?) deel van de kinderen met A(D)HD en/of Dyslexie deze klachten hebben (mede) als gevolg van de weeënopwekkers die er bij de geboorte zijn gebruikt.


1 reactie

“Actie bond tegen vitaminepillen” (ND 240211)

De Consumentenbond begint een actie tegen vitaminepillen. Als dat op een eerlijke en goed onderbouwde manier zou gebeuren zou het toe te juichen zijn. Er is veel ondeskundigheid in de informatie over de waarde van voedingssupplementen voor gezondheid en ziekte. In toenemende mate willen grote voedingsconcerns en winkelketens meeliften op deze lucratieve markt. Daar zou wat aan gedaan moeten worden, helemaal mee eens.
Maar, als vervolgens dezelfde ondeskundige, ongenuanceerde houding door de kritiserende instantie wordt aangenomen doet dat de geloofwaardigheid van haar analyse niet toenemen. Zoals vaak het geval is in de anti-vitamine lobby, geldt ook hier dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Ongenuanceerde uitspraken, ondersteunt door wat algemene uitspraken van een hoogleraar, pogen de consument van de ene misleiding over te brengen naar de andere. Niets nieuws onder de zon, deze acties in de pers herhalen zich met de regelmaat van de klok.

Laat ik een aantal uitspraken in het gelijknamige artikel in het ND van vandaag eens nader bekijken:

“Teveel extra vitamines kunnen zelfs schadelijk zijn voor de gezondheid, zegt ook hoogleraar Jaap Seidell”. Op zich een waarheid als een koe, zelfs water is schadelijk als je er teveel van gebruikt. De vraag is alleen wat is ‘teveel’?
En elders: Een teveel aan Vitamine A en D is niet goed omdat het lichaam de stoffen in het vet en de lever opslaat. Een teveel aan Vitamine A kan schade aan de hersenen, trillen en concentratiestoornissen veroorzaken”. Van een hoogleraar Voedingsleer aan één van onze universiteiten zou je toch meer kennis van zaken verwachten. De dagelijkse aanbevolen hoeveelheid Vitamine D ligt in Nederland op 800IU (Internationale Eenheden) per dag. Pas bij een gebruik van 40.000 IU per dag gedurende een langere periode treden er schadelijke effecten op.
Ook het aanhalen van de veel besproken Betacaroteen studie (zie deze weblog: onder Betacaroteen) in relatie tot kanker, is geen bewijs van zorgvuldigheid.

In de hele discussie over voedingssupplementen wordt altijd weer verwezen naar de ADH (aanbevolen dagelijkse hoeveelheid). De in Nederland gangbare ADH’s zijn gebaseerd op de Amerikaanse tegenhanger, de RDA. Deze waarden zijn gebaseerd op wat de ‘gemiddelde Amerikaan’ nodig zou hebben per dag. Dringt zich vervolgens natuurlijk de vraag op wat ‘de gemiddelde Amerikaan’ is, nog los van de vraag of die gelijk is aan de ‘gemiddelde Nederlander’, maar dat laten we maar even buiten beschouwing. De ‘gemiddelde Amerikaan’ betreft hier, let wel, “iemand van onder de 60, die beschikt over een goede gezondheid, die hoegenaamd geen stress heeft, geen medische problemen heeft, geen medicatie gebruikt, een uitgebalanceerd dieet van circa 2000 kCal per dag eet, met een goede spijsvertering en een normaal lichaamsgewicht”. Als er in de VS een TV programma bestaat als ‘Opsporing Verzocht” ligt hier een geweldige uitdaging waarvan ik voorspel dat die gedoemd is te mislukken. Zo er al een Amerikaan bestaat die aan de hiervoor gegeven typering voldoet, hij zal zeker niet gemiddeld zijn, dat staat vast. En hoe zit het als dit profiel wordt toegepast op de Nederlanders? Neem van mij aan, ook hier zal het een enorme opgave worden om deze ‘persoon’ te vinden. In een land waar ca. 6.000.000 mensen maagzuurremmers gebruiken, waar in 2003 41% van de vrouwen tussen de 18 en de 45 jaar de anticonceptiepil gebruikten (ik heb helaas geen recentere cijfers), waar miljoenen mensen cholesterolremmers slikken, om nog maar te zwijgen over pijnstillers, ontstekingsremmers etc. De gemiddelde consumptie van Aspartaam in Europa, waarschijnlijk de meest schadelijke van alle kunstmatige voedingsadditieven, ligt tussen de 2,8 en 10,1 mg/kg lichaamsgewicht per dag. De schade is immens!
U begrijpt het al, wie anno 2011 rekent met ADH van nutriënten ontkent de rauwe werkelijkheid van alle dag en leeft in een ‘fantasy world’.
De werkelijkheid vraagt om een herdefiniëring van het begrip ADH. Liever zou het vervangen moeten worden door de aanduiding ODH (Optimale Dagelijkse Hoeveelheid).

Het klopt zeker als er geageerd wordt tegen de slogan “baat het niet dan schaadt het niet’. Ook het adviseren van voedingssupplementen moet worden overgelaten aan deskundigen. En als dat de conclusie van de Consumentenbond zou zijn, dan zou ik hun actie van harte ondersteunen.


3 reacties

Zoetstoffen en kinderen

Volgens de Nederlandse VWA (Voedings en Waren Autoriteit) krijgen Nederlandse kinderen niet teveel zoetstoffen binnen. Interessante stelling. Heeft de VWA dat onderzocht en hoe hebben ze dat onderzocht? Of is ook hier weer sprake van het veelvuldig vertoonde ‘bevestigen van het eigen gelijk’. De argumentatie is dat de aanbevolen dagelijkse normen (AD) niet worden overschreden. Een bekend trucje.

Er is allesbehalve reden voor geruststellende woorden over het gebruik van kunstmatige zoetstoffen in onze Westerse cultuur. Integendeel. Het veelvuldig gebruikte Aspartaam behoort net zoals het MSG (=E 621) tot de neurologische excitotoxines. Stofjes die bewezen schadelijk zijn voor de hersenen. De Nederlandstalige website www.smaakversterkers.eu geeft een goed overzicht van de enorme bezwaren van het gebruik van deze excitotoxines. Het boek “Excitotoxins – the taste that kills” [Excitotoxines – de smaak die dood] van de Amerikaanse neuroloog Dr. R.L. Blaylock is een schokkend relaas van de enorm schadelijke effecten van deze kunstmatige toevoegingen in de voeding. Ex-ci-to-toxins = zijn toevoegingen aan de voeding en aan dranken die letterlijk neuronen (=hersencellen) stimuleren totdat ze dood gaan, en zo veroorzaken ze hersenbeschadiging in verschillende graden van ernst. Doordat deze effecten geleidelijk aan optreden kunnen ze eenvoudig worden ontkend en genegeerd. Het is een teken aan de wand dat een overheidsinstelling als het VWA de overtuigende wetenschappelijke informatie die Blaylock aandraagt, negeert.

In de praktijk komen we in toenemende mate patienten, waaronder veel kinderen, tegen die o.a. ziek geworden zijn door het gebruik van dit soort toevoegingen aan de voeding. Ook de enorme toename aan AD(H)D, PDD-NOS, Autisme etc. is voor een deel aan deze stoffen te wijten.


Een reactie plaatsen

Mexicaansegriep vaccin, vervolg:

Er zijn in de hele discussie over wel of niet vaccineren tegen de Mexicaanse griep een aantal hardnekkige misverstanden. Misverstanden die de gemiddelde lezer niet opvallen omdat ze te maken hebben met de definitie van begrippen die in de communicatie niet nader gedefinieerd worden.

1. Eén van de argumenten om nu het vaccinatie beleid uit te breiden naar jonge kinderen is omdat er enkele ‘gezonde’ jonge kinderen geïnfecteerd zijn die daarna zijn overleden. Daarmee wordt de onvoorspelbaarheid van het virus benadrukt, dit creëert onzekerheid en angst. De centrale vraag is hier wat men bedoeld met ‘gezonde’ kinderen. Ongetwijfeld doelt men daar op een groep kinderen die geen klinische diagnose hadden binnen het regulier medische veld. De vraag is evenwel of dit gelijk gesteld mag worden aan ‘gezond’. We zien met grote regelmaat kinderen in de praktijk die na ontvangst van de eerste vaccinatie cocktails (onderdeel van het Rijksvaccinatie programma) wel degelijk subtiele veranderingen vertonen in hun functioneren. Veranderingen die door consultatie bureau’s en huisartsen als onbetekenend worden aangemerkt. Veranderingen die zich echter niet zelden verhevigen bij volgende cocktails en vaak uitmonden in serieuze problemen. U kunt daarbij denken aan: chronische weerstand vermindering, KNO klachten, darm en/of huidklachten, epilepsie, gedragsstoornissen zoals AD(H)D, PDD-NOS, McDD, Autisme e.a. Het veronderstelt een zorgvuldige manier van kijken naar het functioneren van de kinderen om deze trends waar te nemen. Een manier van kijken die voor ons een integraal onderdeel is van onze manier van werken. De kans is derhalve heel groot dat de overleden kinderen voor de reguliere medici dan weliswaar gezond waren maar wel degelijk al een vorm van immuundeficiëntie hadden als gevolg van de eerder ontvangen vaccinaties.

2. Een ander argument is dat men het vaccinatiebeleid heeft verbreed ‘omdat men dingen wil voorkomen’. Dat veronderstelt dat voor de overheid de keuze is tussen ‘niet vaccineren en de kans op sterfte, hoe klein die kans ook is’ en tussen ‘vaccineren met een vaccin dat bewezen effectief is en weinig bijwerkingen heeft’. Als je het zo brengt lijkt de keuze inderdaad niet moeilijk. Alleen het is gebaseerd op een aantal aannames die aantoonbaar niet kloppen. Het gaat namelijk om de definitie van ‘bewezen’ en ‘bijwerkingen’. Het RIVM heeft al jaren zelf gedefinieerd wat als bijwerkingen van vaccinaties wordt aangemerkt en wat niet. Dat is een boeiende redenering. Stelt u zich voor dat we afspreken dat we op een dag besluiten dat onze huismus niet langer zo wordt genoemd maar we bedenken er een andere naam voor. Tijdens de jaarlijkse tuinvogel telling zal de huismus dan niet meer genoemd worden. Wie houdt wie nu voor de gek? Wij komen in de praktijk dagelijks bijwerkingen tegen van vaccinaties bij jonge kinderen, bijwerkingen die niet passen binnen de definitie van het RIVM en derhalve ‘geen bijwerkingen zijn’. De huismus is ineens geen huismus meer. Zo is het gemakkelijk om je eigen beleid overeind te houden. Verder de term ‘bewezen effectief’, ik schreef daar al eerder een blog over.

De mening van de NPV (Nederlandse Patiënten Vereniging) bij monde van Dr. R. Seldenrijk getuigt van een stuk nuchterheid die ik in alle overheidsberichtgeving mis.

Ik begrijp dat de overweging voor veel ouders moeilijk is. Niet in de laatste plaats vanwege de collectieve suggestie die uitgaat van de officiële instanties, dat je toch onverantwoorde risico’s neemt als ouder. De leugen in dit alles is dat verzwegen wordt dat ouders veel grotere risico’s nemen wanneer ze hun 2 maanden oude baby volgens het gewone programma laten vaccineren. Het is het mechanisme van ‘noem het ongerijmde gewoon en het gewone ongerijmd’. Een omkering van de feiten. En dan blijkt de kracht van de massa en de kracht van suggestie. Een klassiek geworden experiment beschrijft een situatie waar een briljante student gevraagd wordt naar de uitkomst van een berekening die hij natuurlijk goed oplost. Wat hij evenwel niet weet is dat alle medestudenten in het complot zitten en de docent steunen als hij beweert dat de oplossing onjuist is. De ontstane onzekerheid en twijfel overheerst de kracht van gezonde rationaliteit. Dit wordt in de marketingwereld methodisch uitgebuit en ook de communicatieadviseurs van de overheid kennen dit mechanisme. In die zin is de toegenomen mondigheid van de bevolking voor de overheid een ongemakkelijke verandering en het zal ontegenzeggelijk aanleiding zijn tot andere communicatie strategieën in de toekomst.


2 reacties

Hebben we meer Jodium nodig dan onze voorouders?

Het antwoord is ‘Ja’. Afgezien van het feit dat de ingestelde ADH waarde van 150 mcg/dag (=0,15 mg) slechts net voldoende is om te voorkomen dat mensen struma of ‘krop’ ontwikkelen is het een verre van optimale dosering. Zie vorige blog over jodium.

Daarnaast is het volgende van belang. Jodium behoort chemisch gezien tot een groep stoffen die worden aangeduid als de ‘Halogenen’. De andere belangrijke vertegenwoordigers van deze groep zijn Fluor, Broom en Chloor. Naast het feit dat de jodium in JOZO zout slechts voor circa 10% door het lichaam wordt opgenomen en dat we de laatste decennia aan alle kanten geadviseerd zijn om vooral minder zout te eten omdat zout slecht zou zijn voor hart- en vaten, is ons leefmilieu in onze moderne tijd vergeven van de lichaamsvreemde en toxische (=giftige) stoffen. Hieronder zijn veel stoffen die tot de genoemde halogenen behoren. Dr. David Brownstein in de US heeft in zijn praktijk bij 100% van de onderzochte mensen vastgesteld dat ze een veel te hoog gehalte broom in het lichaam hadden. Er was een directe correlatie tussen de hoogte van de broom belasting en de ernst van de ziektetoestand. Broom behoort tot de toxische elementen voor het menselijk lichaam en zou ten allen tijde moeten worden vermeden. Toch wordt broom in tal van zaken toegepast.

Broom wordt toegepast in haarverzorgingsmiddelen, vooral productie die moeten zorgen voor een sterke fixatie bevatten veelal broom. In vlamvertragers, waardoor het toegepast wordt in allerlei materialen die we in huis kunnen hebben, zoals venyl behang, vloerbedekking, in matrassen, etc. Er zijn paradoxaal genoeg diverse geneesmiddelen die broom bevatten, waaronder het veel gebruikt Bisolvon (een slijmoplosser), Impromen (een antipsychoticum), Parlodel (een borstvoedingsremmer in kleine doseringen en in hoge doseringen een anti-Parkinson middel). Het wordt gebruikt voor het bleken van textiel, bij bak- en brouwprocessen en in tal van bestrijdingsmiddelen. Tot en met 1991 werd broom (in de vorm van kaliumbromaat E924) gebruikt in brood. Vanaf 1992 is dat bij wet in Nederland verboden vanwege de negatieve gevolgen voor de gezondheid. Het betekent wel dat we tot die tijd aan onnodige broom belasting via de voeding hebben blootgestaan. Optimalisering van het jodiumdepot leidt bij vrijwel iedereen tot een verhoogde uitscheiding van het toxische broom via de urine.

Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van allerlei industriële chloorverbindingen waaronder de zo schadelijke perchloraten. Het gebruik van fluor in de tandheelkunde is algemeen bekend, minder bekend is dat het een veel gebruikt ingrediënt is in tal van geneesmiddelen waaronder het ‘populaire’ antidepressivum Prozac.

Andere medicijnen die fluor bevatten zijn: Rohypnol (flunitrazepam), Diflucan (fluconazol), Flixonase of Flixotide (fluticason), Terfluzine (trifluoperazine), Fluanxol (flupentixol) of Floxapen of Stafoxil (flucloxacilline).

Voor alle halogenen geldt dat ze gemakkelijk de plaats van jodium in het lichaam kunnen innemen, vanwege een grote overeenkomst op moleculair niveau. Alleen hebben ze niet het effect wat jodium op die plaatsen zou veroorzaken. Om hieraan het hoofd te kunnen bieden zijn veel hogere concentraties jodium nodig voor dagelijkse inname dan voor onze voorouders gold. Onder deskundigen wordt algemeen aangenomen dat de dagelijkse behoefte anno 2009 eerder in de buurt van de 12-13 mg ((80x meer dan de huidige ADH) zal liggen. Het gevolg van deze hoge inname van jodium zal er o.a. toe leiden dat er een ontgiftingsreactie t.a.v. de genoemde toxische halogenen optreedt.

Hebben kinderen en zwangere vrouwen ook meer jodium nodig? Daarover meer in de volgende blog.