Ccgforum's Weblog

Just another WordPress.com weblog


Een reactie plaatsen

Schildklier – opnieuw

Opnieuw wil ik aandacht vragen voor de schildklier  Een klier die van levensbelang is en samen met de bijnieren zelfs als één van de twee belangrijkste klieren voor overleving beschouwd mag worden. Maar ook een klier die slecht begrepen wordt binnen de reguliere geneeskunde.

Het boek “Why do I still have thyroid symptoms? When my lab tests are normal”, Datis Kharrazian, ISBN 978-0-9856904-0-3, [vrij vertaald: Waarom heb ik nog steeds schildklier-symptomen, terwijl mijn bloedwaarden goed zijn?] is een boek met een lange, maar treffende titel. Talloze mensen hebben nog steeds alle verschijnselen van een te trage schildklier werking terwijl de (huis)arts ze gerust stelt met de opmerking dat de bloedwaarden goed zijn.

Alleen dit simpele gegeven illustreert al dat de benadering van schildklierproblemen in de reguliere geneeskunde niet klopt.

Meet maar eens uw ochtendtemperatuur. Wanneer die onder de oksel gemeten bij het wakker worden, en vóór het opstaan, lager is dan 36,5 dan heeft u toch een te trage ruststofwisseling en dús een vertraagde werking van de schildklierstofwisseling.


Een reactie plaatsen

Ervaring met de behandeling van vermoeidheid

Mijn ervaring met de behandeling van mijn vermoeidheid bij het CCG door Wim Gelderblom:

Na veel werken en te weinig rust nemen kreeg ik een vermoeidheid over me die ik nog nooit gehad had.
Het werd zelfs zo erg dat de dingen wat je normaal zonder bij na te denken doet, mij teveel was.
Bijvoorbeeld een stukje lopen of een boodschap doen zag ik tegen op.
In een stukje in de krant las ik over de haaranalyse van het CCG.
In januari een afspraak gemaakt bij Wim en nadat de uitslag van de haaranalyse binnen was heeft Wim een behandelplan opgesteld om weer op mijn oude niveau te komen.
Hiervoor kreeg ik diverse supplementen.
Tevens heb ik de 72 uurs meting gedaan om te kijken of ik genoeg rustmomenten had om te herstellen.
De eerste weken ging het eerder slechter dan beter.
Na overleg met Wim de dosis teruggebracht van 3 x per dag naar 1 x per dag en daar na ging het beter.
Toch bleef het herstel wat achter en dat kwam doordat de magnesiumopname via tabletvorm niet het gewenste resultaat had.
Dit veranderde drastisch toen ik magnesiumolie ging gebruiken op advies van Wim.
Hierdoor ging ik met sprongen vooruit, weliswaar met up’s en down’ s maar toch vooruit.
Na 6 maanden weer een haaranalyse gedaan en daaruit bleek dat ik wel vooruitgang had geboekt maar er nog niet was.
Wat in mijn geval frappant was dat de magnesiumwaarde erg snel op het gewenste niveau was.
Nu heb ik weer een aangepast behandelplan.
Inmiddels ben ik 7 maanden verder en ben voor mijn gevoel soms op mijn oude niveau, maar dat ik er nog niet ben merk ik als ik teveel lichamelijke arbeid doe.
Dan kan de vermoeidheid weer toeslaan maar het verschil met eerst is nu dat ik na een goede nacht slapen weer uitgerust ben.
Wat belangrijk is om consequent het opgestelde behandelplan te blijven volgen, ook als het niet direct het gewenste resultaat heeft.
De toestand waar ik mij in bevond is gekomen door jarenlang teveel van mijn lichaam te vergen zonder voldoende rust.
Dit is natuurlijk niet binnen een paar weken opgelost.
Zoals het nu gaat ben ik een tevreden en dankbaar mens.

Arie


2 reacties

Schildklier: meest onderzocht en minst begrepen (6)

In deze blog komt “het meest onbegrepen nutriënt” aan de orde, zoals de jodiumspecialist Dr. David Brownstein het noemde: JODIUM.

Een mineraal dat in zekere zin de reeks blogs over schildklierproblemen en kankerpreventie verbindt, want in beide thema’s is jodium een mineraal met enorme betekenis en in beide terreinen is deze betekenis ernstig onderschat. Er zijn boeken geschreven over de enorme waarde van dit ‘vergeten’ mineraal en in een blog leent zich m.i. alleen voor compacte informatie van een beperkte omvang. Daarom zal ik deze en de volgende blog een aantal belangrijke zaken aan de orde stellen over de relatie jodium en de schildklier. Maar houd wel voor ogen dat de rol van jodium zich bepaald niet tot de schildklier beperkt. Alle lichaamscellen zijn jodiumafhankelijk en wel in twee vormen, deels in de vorm van elementair jodium en deels in de vorm van het jodide (bijvoorbeeld kaliumjodide).

Interessant feit is dat het in de 19e en begin 20e eeuw in de VS onder artsen gebruikelijk was, dat ze Kaliumjodide (KI) voorschreven aan patiënten als ze geconfronteerd werden met vage klachten of als ze niet wisten wat ze moesten doen. Gesteund door de breed gedane observatie dat de meeste patiënten daar hoe dan ook van opknapten. Inmiddels is het klimaat in de medische sector ongeslagen in het absolute tegendeel. De bekende jodiumspecialist Prof. Dr. Guy Abraham sprak in dit verband van een alom bestaande jodiumfobie onder artsen. En met deze weerstand is ook het onbegrip over het immense belang van dit mineraal toegenomen.

Sinds het verdwijnen van de kropziekte is er een collectief idee ontstaan dat het dús met onze jodium inname wel goed zit. Niets is minder waar! Daarover later meer.

Jodiumtekort is de nummer 1 oorzaak van schildklier aandoeningen.

Jodium komt in het hele lichaam voor, maar de schildklier bevat de grootste hoeveelheid. Dat kan wel oplopen tot 15-20 mg in geval van een normale jodiumstatuis. DE schildklier heeft het vermogen om jodium te concentreren, op te slaan in het weefsel. Andere organen/weefsels die dat sterk doen zijn de borstklieren (zie blog over kanker), de speekselklieren en de eierstokken. De schildklier gebruikt jodium door het te binden aan tyrosine en thyroglobuline en vormt zo de schildklierhormonen T4 en T3.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor jodium (ADH) is laag, veel te laag. Waarschijnlijk nét genoeg om geen kropziekte te ontwikkelen. Volgens cijfers van de WHO halen overigens ca. 6 miljoen Nederlanders die ADH niet (ADH=0,150 mg voor volwassene en 0,200 mg voor zwangere en zogende vrouwen). Echter, onderzoek heeft aangetoond dat de optimale dagelijkse hoeveelheid ten minste het honderdvoudige is.

Eén van de problemen in deze moderne tijd is het wijdverbreide gebruik van synthetische verbindingen die Broom en Fluor bevatten. Deze mineralen horen samen met Chloor en Jodium tot de zgn. halogenen. Ze gaan in het lichaam een competitie aan met jodium en alleen door hogere doseringen jodium kan het lichaam deze toxische verbindingen kwijt raken waardoor er weer een normale jodiumstatus wordt bereikt.

Hoewel de weerstand tegen het gebruik van hoge doseringen jodium volstrekt ongegrond is, vergt het verantwoord opbouwen van een gezonde jodiumstatus wel kennis van zaken en daarom dient dit altijd onder begeleiding van een deskundige plaats te vinden. Geen enkel mineraal werkt solistisch in de stofwisseling en juist het samenspel met andere mineralen in de juiste verhoudingen toegediend is van belang voor een correct herstel van de jodiumstatus van het lichaam.

Een belangrijke opmerking moet nog gemaakt worden over de reactie van schildklier bloedwaarden tijdens een traject voor jodium suppletie. Wanneer een arts de schildklierfunctie meet doen ze dat door het bepalen van de TSH en T4 waarde in het bloed. TSH is het hypofyse hormoon dat de schildklier moet aanzetten tot activiteit. Een te hoge TSH (de meningen over wat té hoog is verschillen!) wordt dan opgevat als een indicatie voor een te trage schildklier. Echter, TSH heeft nog een andere functie, waarvan de meeste artsen helaas niet op de hoogte zijn. TSH stimuleert ook de productie van het jodium-transport systeem (NIS). Wanneer er dus veel meer jodium het lichaam inkomt zal de TSH stijgen teneinde een adequater jodiumtransport te realiseren. Als regel trekken artsen bij een dergelijke, soms forse, stijging van de TSH aan de noodklok met de vermelding dat de schildklier (ineens) veel te traag werkt en dat de patiënt toch vooral direct aan de Thyrax moet (synthetisch medicijn dat regulier wordt ingezet bij een te trage schildklierfunctie). Deze conclusie is dan onjuist. De hier genoemde stijging van de TSH als gevolg van de jodiuminname kan tot zeker een half jaar daarna voortduren.


1 reactie

Moe (III) – Column BOZ juni 2014

Moe (III)

Dit is de afsluitende column over het thema ‘Moe’ en heeft als onderwerp ’Slaap’.

Al eerder heb ik de energiebalans genoemd, de balans tussen de energie-uitgaven en energie-inkomsten, het herstel. De belangrijkste herstelperiode is de slaap. Onderzoek heeft aangetoond dat de mens gemiddeld ten minste 30% hoogwaardige hersteltijd nodig heeft om de resterende 70% actief te kunnen zijn. We kunnen nog zoveel activiteiten hebben, zolang er voldoende herstel tegenover staat, kunnen we een positieve energiebalans hebben. Het omgekeerde bestaat uiteraard ook en komt verontrustend veel voor.

Kort geleden nog trok een groep slaapfysiologen, wetenschappers die zich in het bestuderen van de slaap hebben gespecialiseerd, aan de bel. Ze zijn verontrust over het gegeven dat de slaap in deze moderne tijd steeds meer onder druk komt te staan. Deels komt dat doordat mensen tekort slapen. We hebben gemiddeld ten minste 7 uur slaap per etmaal nodig. Maar voor een belangrijk gedeelte komt dit ook door een toename van activiteiten die een ongunstig effect hebben op het herstel tijdens de slaap.

Misschien denkt u nu dat dit voor u niet relevant is omdat u altijd prima slaapt. Daar zou ik niet zo zeker van zijn. Het punt is namelijk dat het niet alleen maar gaat over de vraag óf u slaapt maar vooral of u voldoende herstélt tijdens de slaap. En dat laatste is allerminst vanzelfsprekend.

Een prachtige methode om hier meer inzicht in te krijgen is de HRV methode. Mensen dragen daarbij 72 uur een superlichtgewicht monitor van 20 gram op het lichaam. Middels twee op het lichaam geplakte electroden wordt continu de hartslagvariatie geregistreerd. Dit laat na afloop van moment tot moment zien of iemand in de actieve (stress)modus of in de rust (herstel)modus stond. Doordat er ook ’s nachts gemeten wordt, kan ook worden bepaald of iemand in de slaap in de herstelmodus komt, hoe lang en in welke mate.

Omdat die mensen ook een logboek van activiteiten bij houden gedurende de meetperiode, is ook te zien of er een relatie is tussen een verstoorde energiebalans en verschillende activiteiten. Factoren als alcoholgebruik ’s avonds, intensief sporten, een copieuze maaltijd, beiden later op de avond, en beeldschermwerk voor het naar bed gaan, zijn voorbeelden van gedragingen die ten koste gaan van het herstel tijdens de slaap.

Niet voor niets is vermoeidheid de meest voorkomende klacht in ons land, en vele andere westerse landen. Verontrustend is het dat het steeds vaker bij steeds jongere mensen en kinderen voorkomt. Jongeren die de HRV meting ondergaan vertonen niet zelden al een negatieve energiebalans. Concreet betekent dit dat ze al op jonge leeftijd interen op hun reserves. En dat is zorgelijk!

Meer dan ooit is er de behoefte aan rustmomenten met weinig prikkels.

 

(Deze Column is gepubliceerd in het juni-nummer van “Blik op Zeewolde”)

 

 

 

 


Een reactie plaatsen

Moe (II) – Column BOZ mei 2014

Moe (II)

Net als een boekhoudkundige balans zouden we kunnen zeggen dat het menselijk lichaam een soort energiebalans heeft. We hebben te maken met uitgaven, zeg maar ’activiteiten’, en inkomsten. Bij dit laatste moet u denken aan alles wat gericht is op onderhoud en herstel, zoals slaap, ontspanning, eten en drinken, etc. Voor een positieve energiebalans zijn meer ’inkomsten’ dan ’uitgaven’ nodig.

De energie-uitgaven kunnen we ook samenvatten onder de noemer ’stress’. Dat heeft dan uiteraard een veel bredere definitie dan doorgaans verondersteld wordt. Stress is dan alles wat een verstoring teweeg brengt in ons lichaam en wat een reactie vereist om daar mee om te gaan. Zo onderscheiden we voedingsstress (verkeerde voeding), lifestyle stress, bewegingsstress (te weinig, teveel of verkeerd bewegen), milieustress, chemische stress, maar uiteraard ook psychische en sociale stress etc.

Stress is dus ook zeker niet alleen maar slecht. Alleen een teveel aan stress is slecht. Ook hier geldt, er is niets mis met uitgaven als er maar gelijk of meer inkomsten tegenover staan. Balans, daar draait het om.

Naast de schildklier is er een tweede hormoonklier die hier een centrale rol speelt, de bijnieren. Het zijn twee kleine kliertjes die gelegen zijn bovenop de nieren, vandaar de naam. De stresshormonen adrenaline en cortisol worden onder andere hier geproduceerd. 

Eenvoudig gezegd kun je stellen dat de bijnieren ons helpen goed om te gaan met stress. Het zijn onze ’overlevingsklieren’ bij uitstek. Uw veerkracht, energie, uithoudingsvermogen, etc. zijn in hoge mate afhankelijk van een goede bijnierfunctie.

In de stressfysiologie onderscheiden we acute en chronische stress. De eerste komen we vooral in het dierenrijk tegen. Een zebra die net ontsnapt is uit de klauwen van een hongerige leeuwin, staat een kwartier later weer rustig te grazen, alsof er niets is gebeurd. De bekende wetenschapper en stress-deskundige Robert M. Sapolsky schreef daarover zijn spraakmakende boek ‘Waarom krijgen zebra’s geen maagzweer?’ (http://bit.ly/1j8UnFq). Precies, omdat ze vooral acute stress hebben. Mensen, zeker mensen in onze westerse wereld, hebben vooral last van chronische stress.

Dit leidt in veel gevallen tot een soort uitputting van de bijnieren. Een syndroom dat door de reguliere geneeskunde niet wordt erkend en onderkend. Daar kent men alleen Ziekte van Addison als een voorbeeld van een ernstige onderfunctie van de bijnieren. Voor meer informatie verwijs ik naar het boek van James L. Wilson ‘Bijnieruitputting. (http://bit.ly/1jGYk8V).

De gevolgen kunnen zeer uiteenlopend zijn, maar samenvattend kan gesteld worden dat dit syndroom gekenmerkt wordt door een verminderde belastbaarheid. Vermoeidheid is een prominent kenmerk van bijnieruitputting. Maar ook aandoeningen als allergieën, weerstandsproblemen, hypoglycemie, diabetes, auto-immuunziektes of verslavingen hangen in veel gevallen samen met een verminderde bijnierfunctie.

‘Spreken is zilver en zwijgen is stress’ (Hugo Olaerts).

 

(Deze Column is gepubliceerd in het mei-nummer van “Blik op Zeewolde”)


Een reactie plaatsen

Moe (I) – Column BOZ april 2014

Moe (I)

Vermoeidheid is met stip de meest voorkomende klacht in Nederland. De meeste van deze mensen zullen geen medisch afwijkende uitslagen hebben. Het komt erop neer dat er volgens de arts geen verklaring is voor hun klachten. Sommige etiketten als ”het zal wel psychisch zijn”, of ”teveel stress” of ”chronisch vermoeidheid syndroom” zijn even zovele onbevredigende ’diagnoses’.

Vermoeidheid is misschien wel de meest onbegrepen klacht in ons geneeskundig systeem. Hoe komt dat? En, is dat terecht?

Het heeft alles te maken met de gehanteerde referenties. Immers, er zijn afspraken over wat ’normaal’ is en dus medisch geen verdere aandacht behoeft.

In deze column aandacht voor het functioneren van onze schildklier in relatie tot vermoeidheid.

De schildklier is een vlindervormige klier in de hals vlak voor de luchtpijp. Het is de dirigent van onze stofwisseling, bepalend voor het functioneren van de stofwisseling. Hoge activiteit van de stofwisseling leidt tot veel energie en een snelle verbranding, dus ook een flinke productie van lichaamswarmte. Lage activiteit leidt tot energie tekort, gebrek aan lichaamswarmte en een trage verbranding waardoor in bepaalde gevallen ook gewichtstoename ontstaat.

Alle hormoonklieren produceren hormonen, zeg maar signaalstoffen. De werking van deze stoffen is weer afhankelijk van de aanwezigheid van hormoonreceptoren met de juiste gevoeligheid. Bij Diabetes mellitus (suikerziekte) spreken we over een type 1 en een type 2 (ouderdomsdiabetes), respectievelijk een hormoon tekort en een mate van ongevoeligheid van de insuline receptoren. Er zijn wetenschappers die er, m.i. terecht, voor pleiten dat onderscheid ook te maken bij de schildklier. We zouden dan spreken van een Hypothyreoïdie (te trage schildklierwerking) type 1 en 2. De reguliere geneeskunde heeft alleen aandacht voor wat we dan type 1 noemen, een tekort aan schildklier hormonen. Type 2 is een bepaalde ongevoeligheid van de receptoren voor deze hormonen. En juist deze laatste aandoening lijkt epidemisch voor te komen. Een eenvoudige manier om zelf een beeld te krijgen van het niveau van de ruststofwisseling is het meten van de lichaamstemperatuur bij het ontwaken. Dit dient te gebeuren voordat men actief wordt en onder de oksel gemeten. Vrouwen die menstrueren kunnen de meting alleen doen op dag 2 t/m 5 van de cyclus. Een temperatuur beneden de 36,4 is een zekere indicatie voor een te trage ruststofwisseling. Wanneer de schildklierwaarden in het bloed goed zijn is een te lage temperatuur een sterke aanwijzing voor genoemde type 2 stoornis.

Enkele daarbij horende klachten zijn: droge huid, vermoeidheid, brokkelige nagels, menstruatie problemen, depressieve klachten, kouwelijkheid, slaapproblemen, gewichtstoename, allergieën, constipatie etc.

Er zijn talloze mensen, en dan hebben we het echt over grote aantallen, die wel verschijnselen hebben van een te trage schildklierwerking terwijl de bloedwaarden goed zijn. Velen hebben last van deze klinisch niet onderkende aandoening. In de complementaire geneeskunde is hier echter wel een oplossing voor: lees verder op http://wp.me/pjhhg-ju

(Deze Column is gepubliceerd in het aprilnummer van “Blik op Zeewolde”)


Een reactie plaatsen

Schildklier: meest onderzocht en minst begrepen (5)

Behalve de noodzaak tot een juiste omzetting van T4 naar het biologisch actieve T3 (zie vorige blog) is er nog een zeer belangrijke schakel. Daarvoor eerst even een klein zijspoor.

Alle signaalstoffen in het lichaam, of het nu hormonen of neurotransmitters zijn, werken d.m.v. het aanhechten van de stof aan specifieke receptoren op de cel. Zeg maar het principe van de sleutel en het slot. Beiden dienen aanwezig te zijn, goed te werken en de een moet passen op de ander. Een veel voorkomend probleem is een verminderde gevoeligheid van receptoren. Een voor iedereen bekend voorbeeld is Diabetes mellitus type II, ook wel ‘ouderdomssuiker’ genoemd. Deze laatste aanduiding gaat vandaag de dag niet meer op, omdat het ook steeds vaker op heel jonge leeftijd optreedt, maar dat terzijde. De meesten zullen wel weten dat we bij suikerziekte (Diabetes) onderscheid maken tussen type I (juveniele Diabetes) en type II (ouderdomssuiker). In geval van type I is er een tekort aan het hormoon insuline doordat de alvleesklier (pancreas) niet goed meer werkt. In geval van type II is er als regel voldoende insuline, niet zelden zelfs teveel (hyperinsulinisme) maar zijn de receptoren voor insuline verminderd gevoelig. We noemen dat Insulineresistentie. 

Bestaat dit onderscheid tussen type I en type II ook bij andere hormoonklieren? Het zou logisch zijn, maar de realiteit is anders. Iemand die daar terecht de vinger bij legt is de Amerikaanse arts Dr. Mark Starr. Hij pleit er, met anderen, voor om ook bij een te trage schildklier stofwisseling hetzelfde onderscheidt te maken. We krijgen dan Hypothyreoïdie type I en Hypothyreoïdie type II. Analoog aan Diabetes mellitus is er in het eerste geval sprake van een tekort aan schildklierhormonen, bijv. doordat de schildklier te traag werkt. In het tweede geval echter is er wellicht sprake van een normale schildklierfunctie, maar is er een resistentie van de receptoren. Het resultaat is overigens in beide gevallen dat er een klachtenpatroon ontstaat dat gelijk is.

In de reguliere diagnostiek wordt alleen met type I rekening gehouden. Type II speelt daar geen rol. Wanneer deze laatst stoornis veel voorkomt, en er is alle reden om dat aan te nemen, dan hebben we het hier dus over een categorie mensen die bij de arts komen met klachten als vermoeidheid e.d. terwijl een bloedonderzoek mogelijk vlgs. medische criteria geen afwijkingen laat zien. Deze mensen krijgen vervolgens het bericht mee dat het in elk geval niet de schildklier is. Een teleurstellende rondgang door het medische circuit start en leidt vrijwel zonder uitzondering tot de frustratie van onbegrepen klachten.