Ccgforum's Weblog

Just another WordPress.com weblog


Een reactie plaatsen

Angst is lucratief (Column BOZ mei 2012)

Door het welbewust gebruik van de term “Risico” zorgen veel marketeers en beleidsmakers dat mensen beslissen op basis van angst. Een weloverwogen beslissing zou doorgaans anders uitpakken.

De mens heeft, aldus de wetenschap, twee beslissystemen. Systeem 1 (intuïtie) is het ervaringssysteem, vergt geen inspanning, werkt automatisch en snel, is zeer emotioneel, werkt onbewust en is vatbaar voor fouten. Systeem 2 is wat we het ‘denken’ noemen. Het vergt inspanning, is traag, bewust, is minder foutgevoelig en je kunt naderhand herleiden hoe je tot je beslissing bent gekomen.

De officiële informatie in Nederland over de noodzaak om baby’s te vaccineren is hiervan een markant en schrijnend voorbeeld. Welbewust is de communicatie gericht op het activeren van beslissysteem 1 waardoor jonge ouders beslissen op basis van angst. Angst is een fantastisch marketinginstrument. Ook in de medische sector wordt er veelvuldig gebruik van gemaakt.

Jonge of aanstaande ouders worden zo opgezadeld met de suggestie dat hun baby grote risico’s loopt als het niet snel gevaccineerd wordt. De angst om een onverantwoorde ouder te zijn, of je kind op te zadelen met grote gezondheidsschade ontneemt deze ouders om een rustige, rationele en weloverwogen beslissing te nemen. Doelbewust wordt er gezwegen over de risico’s die samenhangen met vaccineren, zeker op die jonge leeftijd.

Het gevolg is dat de meeste ouders door angst gedreven een beslissing nemen die veel grotere risico’s met zich meebrengt dan de risico’s die ze denken te vermijden.

Een goed gedocumenteerd voorbeeld is de angst onder de Amerikaanse bevolking na het WTC drama op 9/11/2001 om voor binnenlandse vluchten het vliegtuig te nemen. Om het risico van een herhaling te vermijden koos men massaal voor de auto als vervoermiddel. Dit heeft geleid tot een dramatische toename van het aantal verkeersdoden in de VS in het daaropvolgende jaar. Een persoon die iedere maand een binnenlandse vlucht had genomen gedurende een jaar lang zou een kans van 1:135.000 hebben om te overlijden door een kaping. De keuze voor de auto als vervoermiddel gaf een kans van 1:6000 om te overlijden als gevolg van een auto-ongeluk.

 

(Deze Column is gepubliceerd in mei 2012 in “Blik op Zeewolde”).


Een reactie plaatsen

Kankerpreventie (7)

In eerdere blogs over dit thema heb ik al benadrukt hoe belangrijk het is dat we een bepaalde balans nastreven in het leven. Eenvoudig gezegd, een balans tussen inspanning en ontspanning. Steeds weer blijkt dat in onze hectische tijd veel mensen het vermogen zijn kwijtgeraakt om duidelijk aan te voelen wat voort hen écht ontspanning is. 

Maar hoe onze dagen er ook uitzien, de meeste mensen zullen vooral afhankelijk zijn van het herstel gedurende de slaap. Zoals eerder opgemerkt is hierbij niet de vraag óf je slaapt alleen van belang, maar vooral de vraag of je voldoende herstelt tijdens de slaap. En dat laatste onttrekt zich doorgaans aan ons waarnemingsvermogen. 

Er is in de wetenschap veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen de toestand van ons autonome zenuwstelsel, u weet wel de ‘actieve’ en de ‘rust’ modus, en hartslagvariatie. Met Hartslagvariatie bedoelen we de variatie in de intervallen tussen de hartslagen. Ook wel HRV genoemd (Heart Rate Variability).

 HRV-english

Het Finse bedrijf Firstbeat is er in geslaagd om de top te bereiken in de ontwikkeling van een geavanceerd, gebruikersvriendelijke monitor (slechts 20 gram) waarmee gedurende 3-5 dagen en nachten continu de HRV van iemand kan worden geregistreerd. Het Nederlandse bedrijf Biocoherence heeft dit systeem naar Nederland gehaald en dit geeft de mogelijkheid om in uiteenlopende situaties de HRV van mensen over een langere periode te meten. Doordat mensen gedurende de meetdagen ook een logboek van belangrijke activiteiten bijhouden kan in de analyse een mogelijke relatie tussen gedrag en de toestand van het autonome zenuwstelsel inzichtelijk worden gemaakt. Doordat de meting dag en nacht plaats vindt en zo mogelijk naast werkdagen ook altijd een vrije dag omvat kan een gedetailleerd inzicht verkregen worden in de toestand van ons lichaam in vrije tijd, werktijd en gedurende de slaap. Het is een buitengewoon mooie methode om inzicht te krijgen in de vraag of iemand goed hersteld in de slaap, in welke mate en hoe lang. En daarmee ook of de mate van herstel binnen een etmaal voldoende is ten opzichte van de activiteiten. Met andere woorden is er sprake van een positieve energiebalans of wellicht een negatieve energiebalans. In dat laatste geval teert iemand dus i9n op zijn/haar reserves. 

Graafinewcolournotxt2png

Doordat het logboek de activiteiten van de meetperiode weergeeft kan een eventuele relatie tussen gedrag en vitaliteit inzichtelijk worden gemaakt. Hierdoor kunnen gerichte adviezen worden gegeven met betrekking deze relatie. 

In een tijd waarin veel activiteit en hoogst haalbare lijkt te zijn dienen we ons weer bewust te worden van de biologische noodzaak tot afwisseling met rust en herstel Ook dienen we weer bewust te worden van de invloed van welke activiteiten het herstel bevorderen of juist tegenwerken. In bepaalde gevallen kan alleen al de keuze voor het tijdstip van een activiteit verstrekkende gevolgen hebben voor de mate van herstel. In z’n algemeenheid is sporten gezond, maar ’s avonds later op de avond geeft het in de regel een vermindering van het herstel in de slaap.

De 72uurs HRV meting kan in het kader van gezondheidsbevordering en ziektepreventie in het algemeen en in geval van kankerpreventie in het bijzonder een cruciale rol spelen omdat het mensen inzicht geeft, en daarmee concrete handvaten, om ook op gedragsniveau (lifestyle) gezonde keuzes te maken. 

Om weer even terug te grijpen op de metafoor van de spier, onze lifestyle dient zodanig te zijn dat we voorkomen dat er in toenemende mate een overbelasting ontstaat, hierdoor zouden we namelijk hypoxie in de hand werken en creëren we een klimaat in ons lichaam waarbij kankercellen gemakkelijk kunnen ontstaan en overleven. 

Eerder schreef ik een aantal Columns over ‘Vermoeidheid” (op deze webblog te lezen). Energie is en blijft een belangrijke graadmeter voor ons welzijn. Er is niets mis met ‘moe voelen’ na een intensieve werkdag, maar het dient wel ‘gezond moe’ te zijn, zoals een patiënt het laatst omschreef. En na een nacht slaap dienen we weer energiek te zijn. Doorgaande vermoeidheid is een signaal dat we nooit mogen negeren, ook niet wanneer het regulier medisch geen enkele aanwijsbare oorzaak heeft.

 


Een reactie plaatsen

Kankerpreventie (6)

“Maar kanker is toch vaak genetisch?” zo vroeg een trouwe bloglezer mij. 

Dit is een belangrijke vraag. Al was het alleen al vanwege de lading die het met zich meebrengt als iemand de boodschap krijgt dat hij of zij drager is van een gen dat bij familieleden reeds kanker heeft veroorzaakt. We weten allemaal dat er vrouwen zijn die gezonde borsten hebben laten amputeren om te voorkomen dat ze borstkanker zouden kunnen ontwikkelen, omdat ze draagster zijn van het borstkankergen. Het illustreert op schokkende wijze hoezeer kanker omgeven is met angst. 

Juist daarom verdient het onderwerp aandacht. Er zijn namelijk hardnekkige misverstanden als het gaat om de erfelijke factoren van ziekten. De ‘oude’ genetica heeft de laatste decennia plaats gemaakt voor de epigenetica. De epigenetica gaat er van uit dat een afwijkende gen alleen doorgaans niet voldoende voorwaarde is voor het ontwikkelen van een ziekte. Er dienen andere, zogenaamde epigenetische factoren te zijn die ervoor zorgen of een gen ook daadwerkelijk tot expressie komt. Denk daarbij aan al die factoren in de celkern die niet tot het DNA behoren. Dat kunnen nutriënten zijn, toxines of micro-organismen. Hoewel DNA tot op heden niet te veranderen is zijn epigenetische factoren doorgaans zeer goed te beïnvloeden.

Prof. Robert Sapolsky, hoogleraar biologische wetenschappen en neurologie en een bekend deskundige op het vlak van o.a. de stress fysiologie (auteur van: “Waarom krijgen zebra’s geen maagzweer?”) schreef in 2000 een artikel in Newsweek Magazine onder de titel: “It’s not all in the genes”. Hij geeft in dat artikel aan dat de rol van de genen met betrekking tot ziekte veel passiever en ondergeschikter is dan doorgaans wordt gesuggereerd. Hij benadrukt daarin de inzichten die in de epigenetica standaard zijn. Door de nadruk te leggen op de genetische gevoeligheid voor een bepaalde kanker wordt in wezen ‘angst’ versterkt. Immers, het wordt daarbij voorgeschoteld als een soort onvermijdelijk ‘Zwaard van Damocles’ dat iemand boven het hoofd hangt. Lees hierover ook het boek van prof. Brian S. Peskin: “Het verzwegen verhaal over kanker”.

Nobelprijswinnaar Daniel Kahnemann beschrijft in zijn prachtige boek over de psychologie van besluitvorming “Ons feilbare denken” dat de mens beschikt over 2 beslissystemen. Respectievelijk Systeem 1 en Systeem 2 genoemd. 

“Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle” (pag. 28).

“Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die woorden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen” (pag.28).

Systeem 2 is meer rationeel. De beslissing die door dit systeem wordt genomen is na te rekenen en te reconstrueren. Systeem 1 is meer emotioneel, gevoelsmatig van karakter. 

Dan Gardner beschrijft deze beslissystemen in relatie tot het thema ‘Angst’ in zijn eveneens zeer lezenswaardige boek: “Risk – The science and Politics of Fear”. Op een prachtige wijze illustreert hij hoezeer het gebruik van de term “risico” vooral een appel doet op beslissysteem 1 en gebruik maakt van het daaraan gekoppelde gevoel van angst. Angst is ook: rekening houden met een gebeurtenis waar je geen controle op hebt. Mensen belanden gemakkelijk in een “slachtofferrol” immers ze spelen een passieve rol in het (dreigende) gebeuren. Het overkomt je en je kunt er niets aan doen. Door de accentuering van de genetische kant van kanker wordt het thema “angst” dat toch al zo dominant aanwezig is rondom deze diagnose, buitengewoon versterkt.

 

De inzichten binnen de moderne epigenetica doen een appel op het andere beslissysteem van de mens. Het geeft aan dat er vooral veel mogelijkheden zijn om de epigenetische factoren te sturen. Het doet een appel op de eigen verantwoordelijkheid, op gedrag en dus op de keuzes die we maken. Het geeft de mens weer het gevoel terug van ‘controle’ hoewel dat uiteraard altijd een nadrukkelijke beperktheid heeft, zeker in een tijd waarin de oorzaken van chronische ziekten complexer zijn dan ooit. Ook stroken de inzichten uit de epigenetica met de al eerder genoemde ontdekking van Otto Warburg. Het wordt dus van belang om te kijken welke factoren de zuurstof voorziening in de lichaamscellen beïnvloeden. Daar dient kankerpreventie zich op te richten. Maar dat veronderstelt bewuste keuzes. Daarover de volgende keer meer.


Een reactie plaatsen

Kankerpreventie (5)

Veel mensen denken tegenwoordig bij de term “stress” aan psychische stress en spanningen. Toch is dat een veel te beperkte opvatting van dit begrip. Verder wordt hierdoor een per definitie negatieve lading aan het begrip gegeven en dat is biologisch gezien volstrekt onterecht.

Onder stress zou je alle invloeden en gebeurtenissen kunnen verstaan die een ‘verstoring’ teweeg brengen in ons lichaam en waarop een reactie is vereist. Binnen die definitie is zelfs het nuttigen van een maaltijd een vorm van stress, alleen deze fysiologische stress is uiterst nuttig, zelfs noodzakelijk voor een gezond functioneren. Er zijn zogezegd vele soorten stress en zolang het organisme op al deze stress samen een adequate respons heeft hoeft het ons niet te schaden. Om er een aantal te noemen: voedingsstress (verkeerd eten), lifestyle stress (bv. te hard werken en te weinig slapen), bewegingsstress (te weinig bewegen, teveel of te intensief bewegen of op verkeerde momenten), milieustress, chemische stress (bestrijdingsmiddelen, reguliere medicijnen), informatiestress (24/7 informatiestromen en eindeloze bereikbaarheid), sociale stress etc, etc.

De grondlegger van de moderne stressfysiologie, de Hongaar Dr. Hans Selye heeft zijn “General Adaptation Syndrome” geformuleerd en daarmee aangegeven dat veel verschillende stressoren (stress veroorzakende prikkels) eenzelfde respons in het lichaam uitlokken. Dat betekent feitelijk dat we de grote diversiteit aan stress op één hoop kunnen vegen en kunnen spreken van een bepaalde stressdruk.

Het grootste probleem met stress in de 21e eeuw in ons (voor velen nog steeds) welvarende Nederland is dat we naast de ontegenzeggelijk enorme toename van stressdruk vooral met chronische stress te maken hebben. Het is juist deze chronische, niet aflatende stressdruk die zo’n ondermijnende en ziekmakende invloed heeft. Hierdoor staan rustmomenten steeds meer onder druk. Als de ene stressor is afgenomen zijn er wel weer twee anderen voor in de plaats gekomen.

Dit leidt in meer of mindere mate, afhankelijk van de keuzes die u maakt, de grenzen die u trekt etc. tot een situatie die te vergelijken is met de overbelaste spier uit een eerdere blog. Rust en herstel staat onder druk en het lichaam komt, om het maar biologisch te duiden, in de overlevingsmodus. Herstel, reparatie, het aanvullen van gebruikte reserves e.d. wordt allemaal uitgesteld, tot……….. Ja, tot wanneer eigenlijk? Want we denderen maar door en velen hebben inmiddels ieder besef verloren wat voor het lichaam (en de geest!) nu eigenlijk écht ontspanning is. Regelmatig heb ik discussies met zowel jongeren als volwassenen over het vermeende ontspannen effect van computerspelletjes. Niks ontspanning, het is “vluchten-of-vechten” achter het beeldscherm en misschien fysiek grotendeels inactief, maar het centrale zenuwstelsel reageert wel degelijk alsof het uitermate reëel is.

Hoewel een glaasje alcohol in de avond al eeuwen lang als een “slaapmutsje” wordt bestempeld is het ook hier de schijn die bedriegt. Door de verdoving van de hersenen val je sneller in slaap maar het duurt lang(er) voordat er überhaupt herstel tijdens de slaap optreedt. Het gedrag van veel jongeren in het weekend waarbij zowel het natuurlijke dag/nacht ritme als het verwoestende effect van alcohol op het herstel met voeten getreden wordt, levert een generatie op die al op jonge leeftijd niet of nauwelijks meer herstelt. Roofbouw in optima forma. Het laat zich raden wat dit betekent voor de ontwikkeling van chronische ziekten in het algemeen en kanker in het bijzonder bij het ouder worden.

Zoals Lucienne van Eck het verwoordde in haar artikel “Het nut van niksen” zo moeten we ons bewust worden van de biologische (!) noodzaak tot het hebben van voldoende rust en herstelmomenten. Niet opgespaard en dan verzilverd in een lange zomervakantie, maar met grote regelmaat weerkerend, deel van ons dagelijks ritme.

In dit kader een volgende keer over een prachtige wetenschappelijk goed onderbouwde methode om inzicht te krijgen in onze eigen levensstijl in relatie tot herstel en dus in relatie tot vitaliteit en gezondheid.


2 reacties

Schildklier: meest onderzocht en minst begrepen (6)

In deze blog komt “het meest onbegrepen nutriënt” aan de orde, zoals de jodiumspecialist Dr. David Brownstein het noemde: JODIUM.

Een mineraal dat in zekere zin de reeks blogs over schildklierproblemen en kankerpreventie verbindt, want in beide thema’s is jodium een mineraal met enorme betekenis en in beide terreinen is deze betekenis ernstig onderschat. Er zijn boeken geschreven over de enorme waarde van dit ‘vergeten’ mineraal en in een blog leent zich m.i. alleen voor compacte informatie van een beperkte omvang. Daarom zal ik deze en de volgende blog een aantal belangrijke zaken aan de orde stellen over de relatie jodium en de schildklier. Maar houd wel voor ogen dat de rol van jodium zich bepaald niet tot de schildklier beperkt. Alle lichaamscellen zijn jodiumafhankelijk en wel in twee vormen, deels in de vorm van elementair jodium en deels in de vorm van het jodide (bijvoorbeeld kaliumjodide).

Interessant feit is dat het in de 19e en begin 20e eeuw in de VS onder artsen gebruikelijk was, dat ze Kaliumjodide (KI) voorschreven aan patiënten als ze geconfronteerd werden met vage klachten of als ze niet wisten wat ze moesten doen. Gesteund door de breed gedane observatie dat de meeste patiënten daar hoe dan ook van opknapten. Inmiddels is het klimaat in de medische sector ongeslagen in het absolute tegendeel. De bekende jodiumspecialist Prof. Dr. Guy Abraham sprak in dit verband van een alom bestaande jodiumfobie onder artsen. En met deze weerstand is ook het onbegrip over het immense belang van dit mineraal toegenomen.

Sinds het verdwijnen van de kropziekte is er een collectief idee ontstaan dat het dús met onze jodium inname wel goed zit. Niets is minder waar! Daarover later meer.

Jodiumtekort is de nummer 1 oorzaak van schildklier aandoeningen.

Jodium komt in het hele lichaam voor, maar de schildklier bevat de grootste hoeveelheid. Dat kan wel oplopen tot 15-20 mg in geval van een normale jodiumstatuis. DE schildklier heeft het vermogen om jodium te concentreren, op te slaan in het weefsel. Andere organen/weefsels die dat sterk doen zijn de borstklieren (zie blog over kanker), de speekselklieren en de eierstokken. De schildklier gebruikt jodium door het te binden aan tyrosine en thyroglobuline en vormt zo de schildklierhormonen T4 en T3.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor jodium (ADH) is laag, veel te laag. Waarschijnlijk nét genoeg om geen kropziekte te ontwikkelen. Volgens cijfers van de WHO halen overigens ca. 6 miljoen Nederlanders die ADH niet (ADH=0,150 mg voor volwassene en 0,200 mg voor zwangere en zogende vrouwen). Echter, onderzoek heeft aangetoond dat de optimale dagelijkse hoeveelheid ten minste het honderdvoudige is.

Eén van de problemen in deze moderne tijd is het wijdverbreide gebruik van synthetische verbindingen die Broom en Fluor bevatten. Deze mineralen horen samen met Chloor en Jodium tot de zgn. halogenen. Ze gaan in het lichaam een competitie aan met jodium en alleen door hogere doseringen jodium kan het lichaam deze toxische verbindingen kwijt raken waardoor er weer een normale jodiumstatus wordt bereikt.

Hoewel de weerstand tegen het gebruik van hoge doseringen jodium volstrekt ongegrond is, vergt het verantwoord opbouwen van een gezonde jodiumstatus wel kennis van zaken en daarom dient dit altijd onder begeleiding van een deskundige plaats te vinden. Geen enkel mineraal werkt solistisch in de stofwisseling en juist het samenspel met andere mineralen in de juiste verhoudingen toegediend is van belang voor een correct herstel van de jodiumstatus van het lichaam.

Een belangrijke opmerking moet nog gemaakt worden over de reactie van schildklier bloedwaarden tijdens een traject voor jodium suppletie. Wanneer een arts de schildklierfunctie meet doen ze dat door het bepalen van de TSH en T4 waarde in het bloed. TSH is het hypofyse hormoon dat de schildklier moet aanzetten tot activiteit. Een te hoge TSH (de meningen over wat té hoog is verschillen!) wordt dan opgevat als een indicatie voor een te trage schildklier. Echter, TSH heeft nog een andere functie, waarvan de meeste artsen helaas niet op de hoogte zijn. TSH stimuleert ook de productie van het jodium-transport systeem (NIS). Wanneer er dus veel meer jodium het lichaam inkomt zal de TSH stijgen teneinde een adequater jodiumtransport te realiseren. Als regel trekken artsen bij een dergelijke, soms forse, stijging van de TSH aan de noodklok met de vermelding dat de schildklier (ineens) veel te traag werkt en dat de patiënt toch vooral direct aan de Thyrax moet (synthetisch medicijn dat regulier wordt ingezet bij een te trage schildklierfunctie). Deze conclusie is dan onjuist. De hier genoemde stijging van de TSH als gevolg van de jodiuminname kan tot zeker een half jaar daarna voortduren.


1 reactie

Moe (III) – Column BOZ juni 2014

Moe (III)

Dit is de afsluitende column over het thema ‘Moe’ en heeft als onderwerp ’Slaap’.

Al eerder heb ik de energiebalans genoemd, de balans tussen de energie-uitgaven en energie-inkomsten, het herstel. De belangrijkste herstelperiode is de slaap. Onderzoek heeft aangetoond dat de mens gemiddeld ten minste 30% hoogwaardige hersteltijd nodig heeft om de resterende 70% actief te kunnen zijn. We kunnen nog zoveel activiteiten hebben, zolang er voldoende herstel tegenover staat, kunnen we een positieve energiebalans hebben. Het omgekeerde bestaat uiteraard ook en komt verontrustend veel voor.

Kort geleden nog trok een groep slaapfysiologen, wetenschappers die zich in het bestuderen van de slaap hebben gespecialiseerd, aan de bel. Ze zijn verontrust over het gegeven dat de slaap in deze moderne tijd steeds meer onder druk komt te staan. Deels komt dat doordat mensen tekort slapen. We hebben gemiddeld ten minste 7 uur slaap per etmaal nodig. Maar voor een belangrijk gedeelte komt dit ook door een toename van activiteiten die een ongunstig effect hebben op het herstel tijdens de slaap.

Misschien denkt u nu dat dit voor u niet relevant is omdat u altijd prima slaapt. Daar zou ik niet zo zeker van zijn. Het punt is namelijk dat het niet alleen maar gaat over de vraag óf u slaapt maar vooral of u voldoende herstélt tijdens de slaap. En dat laatste is allerminst vanzelfsprekend.

Een prachtige methode om hier meer inzicht in te krijgen is de HRV methode. Mensen dragen daarbij 72 uur een superlichtgewicht monitor van 20 gram op het lichaam. Middels twee op het lichaam geplakte electroden wordt continu de hartslagvariatie geregistreerd. Dit laat na afloop van moment tot moment zien of iemand in de actieve (stress)modus of in de rust (herstel)modus stond. Doordat er ook ’s nachts gemeten wordt, kan ook worden bepaald of iemand in de slaap in de herstelmodus komt, hoe lang en in welke mate.

Omdat die mensen ook een logboek van activiteiten bij houden gedurende de meetperiode, is ook te zien of er een relatie is tussen een verstoorde energiebalans en verschillende activiteiten. Factoren als alcoholgebruik ’s avonds, intensief sporten, een copieuze maaltijd, beiden later op de avond, en beeldschermwerk voor het naar bed gaan, zijn voorbeelden van gedragingen die ten koste gaan van het herstel tijdens de slaap.

Niet voor niets is vermoeidheid de meest voorkomende klacht in ons land, en vele andere westerse landen. Verontrustend is het dat het steeds vaker bij steeds jongere mensen en kinderen voorkomt. Jongeren die de HRV meting ondergaan vertonen niet zelden al een negatieve energiebalans. Concreet betekent dit dat ze al op jonge leeftijd interen op hun reserves. En dat is zorgelijk!

Meer dan ooit is er de behoefte aan rustmomenten met weinig prikkels.

 

(Deze Column is gepubliceerd in het juni-nummer van “Blik op Zeewolde”)

 

 

 

 


Een reactie plaatsen

Moe (II) – Column BOZ mei 2014

Moe (II)

Net als een boekhoudkundige balans zouden we kunnen zeggen dat het menselijk lichaam een soort energiebalans heeft. We hebben te maken met uitgaven, zeg maar ’activiteiten’, en inkomsten. Bij dit laatste moet u denken aan alles wat gericht is op onderhoud en herstel, zoals slaap, ontspanning, eten en drinken, etc. Voor een positieve energiebalans zijn meer ’inkomsten’ dan ’uitgaven’ nodig.

De energie-uitgaven kunnen we ook samenvatten onder de noemer ’stress’. Dat heeft dan uiteraard een veel bredere definitie dan doorgaans verondersteld wordt. Stress is dan alles wat een verstoring teweeg brengt in ons lichaam en wat een reactie vereist om daar mee om te gaan. Zo onderscheiden we voedingsstress (verkeerde voeding), lifestyle stress, bewegingsstress (te weinig, teveel of verkeerd bewegen), milieustress, chemische stress, maar uiteraard ook psychische en sociale stress etc.

Stress is dus ook zeker niet alleen maar slecht. Alleen een teveel aan stress is slecht. Ook hier geldt, er is niets mis met uitgaven als er maar gelijk of meer inkomsten tegenover staan. Balans, daar draait het om.

Naast de schildklier is er een tweede hormoonklier die hier een centrale rol speelt, de bijnieren. Het zijn twee kleine kliertjes die gelegen zijn bovenop de nieren, vandaar de naam. De stresshormonen adrenaline en cortisol worden onder andere hier geproduceerd. 

Eenvoudig gezegd kun je stellen dat de bijnieren ons helpen goed om te gaan met stress. Het zijn onze ’overlevingsklieren’ bij uitstek. Uw veerkracht, energie, uithoudingsvermogen, etc. zijn in hoge mate afhankelijk van een goede bijnierfunctie.

In de stressfysiologie onderscheiden we acute en chronische stress. De eerste komen we vooral in het dierenrijk tegen. Een zebra die net ontsnapt is uit de klauwen van een hongerige leeuwin, staat een kwartier later weer rustig te grazen, alsof er niets is gebeurd. De bekende wetenschapper en stress-deskundige Robert M. Sapolsky schreef daarover zijn spraakmakende boek ‘Waarom krijgen zebra’s geen maagzweer?’ (http://bit.ly/1j8UnFq). Precies, omdat ze vooral acute stress hebben. Mensen, zeker mensen in onze westerse wereld, hebben vooral last van chronische stress.

Dit leidt in veel gevallen tot een soort uitputting van de bijnieren. Een syndroom dat door de reguliere geneeskunde niet wordt erkend en onderkend. Daar kent men alleen Ziekte van Addison als een voorbeeld van een ernstige onderfunctie van de bijnieren. Voor meer informatie verwijs ik naar het boek van James L. Wilson ‘Bijnieruitputting. (http://bit.ly/1jGYk8V).

De gevolgen kunnen zeer uiteenlopend zijn, maar samenvattend kan gesteld worden dat dit syndroom gekenmerkt wordt door een verminderde belastbaarheid. Vermoeidheid is een prominent kenmerk van bijnieruitputting. Maar ook aandoeningen als allergieën, weerstandsproblemen, hypoglycemie, diabetes, auto-immuunziektes of verslavingen hangen in veel gevallen samen met een verminderde bijnierfunctie.

‘Spreken is zilver en zwijgen is stress’ (Hugo Olaerts).

 

(Deze Column is gepubliceerd in het mei-nummer van “Blik op Zeewolde”)